Door de eeuwen heen heeft de mensheid vraagtekens gezet bij de aard van het fenomeen dat algemeen bekend staat als 'de dood' en bij de mogelijkheid van een bestaan na het aardse leven. Dit boek nodigt ons uit om de diepten van deze oude vragen te verkennen door de lens van de metafysica toegepast op de moderne wetenschap, voor een begrip van de essentie en de aard van de menselijke geest.
Vóór de komst van de kwantumfysica was de wereld van onzichtbare verschijnselen, die zich buiten het menselijk begrip bevinden, traditioneel gereserveerd voor de metafysica, een filosofische discipline die zich bezighoudt met ontologische en transcendentale kwesties. Het oude onderscheid tussen het materiële en het spirituele was scherp. De natuurkunde richtte zich op de studie van fysische en meetbare verschijnselen, terwijl de metafysica zich bezighield met metafysische vraagstukken, zoals het wezen van de ziel, de aard van het bewustzijn en het leven na de overgang.
Maar met de revolutie in de kwantumfysica aan het begin van de 20e eeuw werden de fundamenten van de werkelijkheid aan het wankelen gebracht. Experimenten op subatomair niveau onthulden gedrag van materie dat volledig verschilde van wat werd voorspeld door de wetten van de klassieke fysica. Concepten zoals kwantum superpositie, verstrengeling en golf-deeltje dualiteit werden geïntroduceerd. Deze fenomenen zijn ongrijpbaar, kunnen niet direct worden waargenomen en stellen onze traditionele opvatting van de objectieve, deterministische werkelijkheid op de proef.
In deze context wordt wat ooit tot het domein van de metafysica behoorde, zoals de aard van het menselijk bewustzijn of de onsterfelijkheid van de ziel, geleidelijk een studieobject voor de theoretische fysica.